De Gezondheidsraad heeft aangegeven dat het wenselijk is maximaal 1 energie% transvetzuren te gebruiken (Gezondheidsraad, 2006). Uit de Voedselconsumptiepeiling 1997/1998 blijkt dat de gemiddelde inname van transvetzuren in Nederland ligt op 1,7 energie% (Gezondheidsraad, 2002). Een sterke daling ten opzichte van de 4,9 energie% uit de VCP 1987/1988. De daling heeft zich verder voortgezet, als we kijken naar de resultaten van de VCP 2003 onder jongvolwassenen. Daar bleek de inname van transvet nog slechts 1,1 energie% te zijn (RIVM, 2003). Inspanningen van de industrie om het gehalte transvetzuren in hun producten te verlagen, heeft deze daling bewerkstelligd.
Melk(producten) en kaas leveren in een gemiddelde Nederlandse voeding van jongvolwassenen slechts een bescheiden bijdrage aan de inname van 1,1 energie% transvetzuren. Nog geen 20% van deze inname is afkomstig van zuivelproducten (RIVM, 2003). Vlees(producten) leveren 10% van de inname. In totaal is het aandeel van natuurlijke transvetzuren dus bijna 30% van de totale hoeveelheid transvetzuren.
Bijdragen aan de inname van transvetzuren in de Nederlandse voeding (RIVM, 2003):
