Bij een eerste zwangerschap krijgt zo'n 10 tot 15% van de zwangeren in de tweede helft van de zwangerschap een verhoogde bloeddruk. Bij een volgende zwangerschap komt dat minder vaak voor. Bij een onderdruk hoger dan 90-95 mmHg is de kans op complicaties voor moeder en kind verhoogd. De nieren en lever kunnen tijdelijk slechter gaan werken en er kunnen afwijkingen in de bloedstolling ontstaan. De bloedtoevoer naar de placenta kan afnemen. Dit kan tot gevolg hebben dat het kind in groei achterblijft of dat de conditie van de baby achteruitgaat. De kans op complicaties is over het algemeen niet groot bij een lichte verhoging van de bloeddruk, maar neemt toe naarmate de bloeddruk hoger is.
De oorzaak van zwangerschapshypertensie is grotendeels onbekend. Waarschijnlijk spelen de aanleg en de ontwikkeling van de placenta in de eerste helft van de zwangerschap een rol.
februari 2009
