Illustratief beeld
Naar de Zuivel en Gezondheid homepage

Oorzaken overgewicht

We leven tegenwoordig in een ‘obesogene’ omgeving. Er is bijna overal en altijd eten en drinken voorhanden en wie niet wil bewegen, kan de dag grotendeels zittend doorbrengen. In verreweg de meeste gevallen ontstaat overgewicht bij kinderen dan ook door een combinatie van verkeerde voedingsgewoontes en te weinig beweging. De energie-inname en het energieverbruik zijn dan langdurig uit balans. Slechts bij minder dan 5% van de kinderen is overgewicht de oorzaak van een ziekte (bijvoorbeeld Down syndroom), medicijngebruik (bijvoorbeeld corticosteroïden) of gendefect.

Naast voeding en beweging speelt erfelijke aanleg ook een rol. Als 1 of 2 ouders overgewicht hebben, vergroot dat ook de kans op overgewicht bij het kind. Daarbij spelen niet alleen de genen een rol. Een kind ‘erft’ ook de voedings- en beweeggewoonten van de ouders. Uit onderzoek blijkt dat erfelijke aanleg voor 25-40% bijdraagt aan de interindividuele verschillen in overgewicht (Maffeis, 2000). Erfelijke aanleg hoeft niet direct tot overgewicht te leiden. Bij een te hoge energie-inname zullen deze personen wel sneller vet opslaan dan personen die geen erfelijke aanleg hebben voor overgewicht (Maffeis, 2000). Zorgen voor een goede energiebalans is in zo’n geval nog belangrijker dan anders. 

De voeding van kinderen rondom de zwangerschap en geboorte lijkt ook een rol te spelen bij de kans op overgewicht op latere leeftijd. Zo kan ondervoeding van de moeder in de eerste drie maanden van de zwangerschap leiden tot overgewicht van het kind op volwassen leeftijd. Dit blijkt uit onderzoek naar de langetermijneffecten van de hongerwinter van 1944-1945 (Ravelli, 1999). Kinderen met een laag geboortegewicht en vervolgens een snelle inhaalgroei vormen ook een risicogroep, evenals kinderen met een hoog geboortegewicht (CBO, 2007). Verder lijkt borstvoeding bescherming te bieden tegen het ontwikkelen van overgewicht, maar zijn genetische en omgevingsfactoren op latere leeftijd waarschijnlijk belangrijker (Cope, 2008).